bonk
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɔŋkBetekenis
- harde klont
- groot bot
- (overdrachtelijk) stevige kerel
- grote knikker
- dicht met elkaar vergroeide planten of resten van planten
- (geluid van een) doffe stoot
- werpen
Hoe spreek je bonk uit?
/bɔŋk/
Bonk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- stevige kerel
- doffe stoot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bonken | meervoud |
| bonkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bonkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
- gebiedende wijs van bonken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonken
Vervoeging van bonk
bonkhele werkwoord
Herkomst
[1]-[4]: van Middelnederlands bonc, in de betekenis van ‘klomp, bot’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van bonk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonkje | verkleinwoord | bonk |
| bonkjes | verkleinwoord meervoud | bonk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bonk zijn vastgelegd.