honkbal
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɔŋɡbɑlBetekenis
- balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
- een kleine harde bal gebruikt voor 1
Hoe spreek je honkbal uit?
/ˈhɔŋgbɑl/
Honkbal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| g | goal |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een kleine harde bal gebruikt voor [1] masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| honkballen | meervoud |
| honkballetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| honkballetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honkballen
- gebiedende wijs van honkballen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honkballen
Vervoeging van honkbal
honkbalhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van honk en bal
Woordfamilie van honkbal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| honkballetje | verkleinwoord | honkbal |
| honkballetjes | verkleinwoord meervoud | honkbal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van honkbal zijn vastgelegd.