hobbelen
werkwoordBetekenis
- Gaan over een niet gladde weg zodat je zachtjes heen en weer wordt geschudt.
- Omdat je over zo'n weg niet snel kunt gaan betekend hobbelen ook langzaam gaan.
werkwoord
- Gaan over een niet gladde weg zodat je zachtjes heen en weer wordt geschud.
- Omdat je over zo'n weg niet snel kunt gaan betekent hobbelen ook langzaam gaan.
Vervoeging van hobbelen
hobbelenhele werkwoord — hobbeldeverleden tijd enkelvoud — hobbeldenverleden tijd meervoud — gehobbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hobbel | hobbelde |
| jij | hobbelt | hobbelde |
| hij, zij, het | hobbelt | hobbelde |
| wij | hobbelen | hobbelden |
| jullie | hobbelen | hobbelden |
| zij | hobbelen | hobbelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehobbeld | verleden tijd, deelwoord |
| gehobbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehobbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehobbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehobbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehobbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehobbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehobbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehobbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehobbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hobbel | gebiedende wijs |
| hobbelde | verleden tijd |
| hobbele | aanvoegende wijs |
| hobbelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehobbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehobbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hobbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehobbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hobbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schommelend bewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van hobbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehobbeld | voltooid deelwoord | hobbelen |
| hobbelde | verleden tijd | hobbelen |
| hobbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hobbelen |
| hobbele | aanvoegende wijs | hobbelen |
| hobbelend | onvoltooid deelwoord | hobbelen |
| hobbelende | woordvorm | hobbelen |
| hobbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hobbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hobbelen zijn vastgelegd.