Naar de inhoud

balanceren

evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen

balanceren

werkwoord

Betekenis

  1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen

werkwoord

  1. uitbalanceren transitive

Vervoeging van balanceren

balancerenhele werkwoord — balanceerdeverleden tijd enkelvoud — balanceerdenverleden tijd meervoud — gebalanceerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik balanceer balanceerde
jij balanceert balanceerde
hij, zij, het balanceert balanceerde
wij balanceren balanceerden
jullie balanceren balanceerden
zij balanceren balanceerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
balanceer gebiedende wijs
balanceerde verleden tijd
balancere aanvoegende wijs
balancerend onvoltooid, deelwoord
ben gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gebalanceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebalanceerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebalanceerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebalanceerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebalanceerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebalanceerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebalanceerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebalanceerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebalanceerd verleden tijd, deelwoord
gebalanceerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebalanceerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebalanceerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebalanceerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebalanceerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebalanceerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebalanceerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebalanceerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebalanceerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebalanceerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebalanceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebalanceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebalanceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebalanceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebalanceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te balanceren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebalanceerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen balanceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebalanceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebalanceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebalanceerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebalanceerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebalanceerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebalanceerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebalanceerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt balanceren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebalanceerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebalanceerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen balanceren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult balanceren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebalanceerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebalanceerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebalanceerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zich in evenwicht houden’ voor het eerst aangetroffen in 1734

Woordfamilie van balanceren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
balanceer gebiedende wijs balanceren
balanceerde verleden tijd balanceren
balanceerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon balanceren
balanceert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon balanceren
balancere aanvoegende wijs balanceren
balancerend onvoltooid deelwoord balanceren
balancerende woordvorm balanceren
gebalanceerde woordvorm balanceren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balanceren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over balanceren

Wat betekent balanceren?
Balanceren is een werkwoord. Het woord betekent: evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je balanceren?
Je vervoegt balanceren als volgt: de tegenwoordige tijd is balanceer, de verleden tijd is balanceerde en het voltooid deelwoord is gebalanceerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord balanceren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. A 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. N 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

balanceren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. N 1
  6. C 5
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

balanceren in het kort

balanceren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van balanceren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort balanceren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

balanceren: evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
Deel balanceren — standaardnederlands.nl