balanceren
werkwoordBetekenis
- evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
werkwoord
- uitbalanceren transitive
Vervoeging van balanceren
balancerenhele werkwoord — balanceerdeverleden tijd enkelvoud — balanceerdenverleden tijd meervoud — gebalanceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | balanceer | balanceerde |
| jij | balanceert | balanceerde |
| hij, zij, het | balanceert | balanceerde |
| wij | balanceren | balanceerden |
| jullie | balanceren | balanceerden |
| zij | balanceren | balanceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| balanceer | gebiedende wijs |
| balanceerde | verleden tijd |
| balancere | aanvoegende wijs |
| balancerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gebalanceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebalanceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebalanceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebalanceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebalanceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebalanceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebalanceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebalanceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebalanceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebalanceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebalanceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebalanceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebalanceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebalanceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebalanceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebalanceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebalanceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebalanceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebalanceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebalanceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te balanceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebalanceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen balanceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebalanceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebalanceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebalanceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebalanceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebalanceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen balanceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult balanceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebalanceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebalanceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebalanceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zich in evenwicht houden’ voor het eerst aangetroffen in 1734
Woordfamilie van balanceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| balanceer | gebiedende wijs | balanceren |
| balanceerde | verleden tijd | balanceren |
| balanceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | balanceren |
| balanceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | balanceren |
| balancere | aanvoegende wijs | balanceren |
| balancerend | onvoltooid deelwoord | balanceren |
| balancerende | woordvorm | balanceren |
| gebalanceerde | woordvorm | balanceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balanceren zijn vastgelegd.