hazenpeper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- gerecht van gestoofd hazenvlees
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hazenpepers | meervoud |
| hazenpepertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hazenpepertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gerecht van hazenvlees’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van hazenpeper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hazenpepers | meervoud | hazenpeper |
| hazenpepertje | verkleinwoord | hazenpeper |
| hazenpepertjes | verkleinwoord meervoud | hazenpeper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hazenpeper zijn vastgelegd.