groef
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- lange en smalle uitholling, insnijding, diepe rand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| groefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| groefjes | verkleinwoord, meervoud |
| groeven | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van graven
Vervoeging van groef
groefhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeven
- gebiedende wijs van groeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeven
Vervoeging van groef
groefhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘greppel, inkerving’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van groef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groefje | verkleinwoord | groef |
| groefjes | verkleinwoord meervoud | groef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groef zijn vastgelegd.