beschaven
werkwoord /bəˈsxaːvə(n)/Betekenis
- met een schaaf glad maken
- tot een hoger peil van civilisatie brengen, civiliseren
Hoe spreek je beschaven uit?
/bəˈsxavən/
Beschaven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| v | vis |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beschaven
beschavenhele werkwoord — beschaafdeverleden tijd enkelvoud — beschaafdenverleden tijd meervoud — beschaafdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beschaaf | beschaafde |
| jij | beschaaft | beschaafde |
| hij, zij, het | beschaaft | beschaafde |
| wij | beschaven | beschaafden |
| jullie | beschaven | beschaafden |
| zij | beschaven | beschaafden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beschaaf | gebiedende wijs |
| beschaafd | verleden tijd, deelwoord |
| beschaafd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschaafd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschaafd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschaafd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschaafd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschaafd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschaafd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschaafd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschaafd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschaafd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschaafde | verleden tijd |
| beschave | aanvoegende wijs |
| beschavend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beschaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beschaafd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beschaafd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beschaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beschaafd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beschaafd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beschaafd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beschaafd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beschaven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beschaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beschaven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beschaafd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschaafd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschaven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschaafd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschaafd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] Leenvertaling van Frans polir (iets) “polijsten”, “glad maken”.
Woordfamilie van beschaven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beschaaf | gebiedende wijs | beschaven |
| beschaafden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beschaven |
| beschaaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beschaven |
| beschave | aanvoegende wijs | beschaven |
| beschavend | onvoltooid deelwoord | beschaven |
| beschavende | woordvorm | beschaven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschaven zijn vastgelegd.