gareel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een juk voor trekdieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gareeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gareeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| garelen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘halsjuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1294
Woordfamilie van gareel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gareeltje | verkleinwoord | gareel |
| gareeltjes | verkleinwoord meervoud | gareel |
| garelen | meervoud | gareel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gareel zijn vastgelegd.