dissel
zelfstandig naamwoord /dɪsəl/Betekenis
- een houten of metalen stang voor een voertuig aan weerszijden waarvan trekdieren ingespannen kunnen worden
- een stang of buis waarmee een aanhangwagen aan een auto of vrachtwagen bevestigd kan worden
- een houtbewerkingsgereedschap om b.v. een waterbak uit te hakken uit een boomstam (drinkbak in de alpen)
Hoe spreek je dissel uit?
/dɪsəl/
Dissel bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dissels | meervoud |
| disseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| disseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1-2] In de betekenis van ‘disselboom’ voor het eerst aangetroffen in 1460.
Woordfamilie van dissel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dissels | meervoud | dissel |
| disseltje | verkleinwoord | dissel |
| disseltjes | verkleinwoord meervoud | dissel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dissel zijn vastgelegd.