garde
zelfstandig naamwoord ˈɣɑrdəBetekenis
- keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden
- een lijfwacht
- een roede
- (Limburg) een horde, keurbende
- de jonge garde: de jongeren
- tuin
- chaperonne; een vrouwelijke begleidster van een jonge vrouw in een gemeenschappelijke setting
- gardez, gardez la reine; het bedreigen van de dame in een schaakspel
- en garde; de beginpositie bij het schermen
- střeh
- opzicht
- hledisko
Hoe spreek je garde uit?
/ˈxɑrdə/
Garde bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een horde, keurbende Limburg
- de oude garde: mensen met ideeën en tradities van vroeger
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| garden | meervoud |
| gardes | meervoud |
| gardetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gardetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘keurbende’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855
Woordfamilie van garde
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gardes | meervoud | garde |
| gardetje | verkleinwoord | garde |
| gardetjes | verkleinwoord meervoud | garde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garde zijn vastgelegd.