frons
zelfstandig naamwoord, werkwoord frɔnsBetekenis
- een aandoening van keel, luchtpijp en krop veroorzaakt door een ééncellige parasiet (Trichomonas gallinae)
- rimpel in het gelaat, die vaak een uitdrukking van verbazing of ongeloof is
- deel van de kop van een insect gelegen tussen beide antennes
Hoe spreek je frons uit?
/frɔns/
Frons bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- : een aandoening van keel, luchtpijp en krop veroorzaakt door een ééncellige parasiet (Trichomonas gallinae) neuter
- / : rimpel op het voorhoofd, vaak als uitdrukking van verbazing, ongeloof, afkeuring of boosheid feminine, masculine
- : deel van de kop van een insect gelegen tussen beide antennes neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fronsen | enkelvoud |
| fronsje | verkleinwoord, tweede persoon |
| fronsjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| fronzen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fronsen
- gebiedende wijs van fronsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fronsen
Vervoeging van frons
fronshele werkwoord
Woordfamilie van frons
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fronsje | verkleinwoord, 2e persoon | frons |
| fronsjes | verkleinwoord | frons |
| fronzen | enkelvoud | frons |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frons zijn vastgelegd.