bons
werkwoord, zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel bɔnsBetekenis
- een geluid veroorzaakt bij het bonzen
- een machtige functionaris in een bond of partij
Hoe spreek je bons uit?
/bɔns/
Bons bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| s | sok |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonzen
- gebiedende wijs van bonzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bonzen
Vervoeging van bons
bonshele werkwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bon
tussenwerpsel
- klanknabootsing van het geluid van een dreun of smak
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bonze invloedrijk persoon, partijbons’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1830
Woordfamilie van bons
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonsje | woordvorm | bons |
| bonsjes | meervoud | bons |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bons zijn vastgelegd.