fluim
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fluimen | meervoud |
| fluimpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fluimpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluimen
- gebiedende wijs van fluimen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluimen
Vervoeging van fluim
fluimhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoeveelheid slijm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van fluim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fluimpje | verkleinwoord | fluim |
| fluimpjes | verkleinwoord meervoud | fluim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluim zijn vastgelegd.