voltigeren
werkwoordBetekenis
- turnoefeningen doen op een bewegend paard
- turnoefeningen doen op het gymnastiektoestel paard
Vervoeging van voltigeren
voltigerenhele werkwoord — voltigeerdeverleden tijd enkelvoud — voltigeerdenverleden tijd meervoud — gevoltigeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voltigeer | voltigeerde |
| jij | voltigeert | voltigeerde |
| hij, zij, het | voltigeert | voltigeerde |
| wij | voltigeren | voltigeerden |
| jullie | voltigeren | voltigeerden |
| zij | voltigeren | voltigeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevoltigeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevoltigeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevoltigeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevoltigeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevoltigeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevoltigeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevoltigeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevoltigeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevoltigeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevoltigeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevoltigeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevoltigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevoltigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevoltigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevoltigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te voltigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voltigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voltigeer | gebiedende wijs |
| voltigeerde | verleden tijd |
| voltigere | aanvoegende wijs |
| voltigerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevoltigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voltigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevoltigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voltigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse voltiger (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van voltigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevoltigeerd | voltooid deelwoord | voltigeren |
| voltigeer | gebiedende wijs | voltigeren |
| voltigeerde | verleden tijd | voltigeren |
| voltigeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voltigeren |
| voltigeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voltigeren |
| voltigere | aanvoegende wijs | voltigeren |
| voltigerend | onvoltooid deelwoord | voltigeren |
| voltigerende | woordvorm | voltigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voltigeren zijn vastgelegd.