buitelen
werkwoord ˈbœytələ(n)Betekenis
- ergens over de kop heengaan of -rollen
- over de kop gaan of rollen
- elkaar verdringen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je buitelen uit?
/ˈbœytələn/
Buitelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van buitelen
buitelenhele werkwoord — buiteldeverleden tijd enkelvoud — buiteldenverleden tijd meervoud — gebuiteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buitel | buitelde |
| jij | buitelt | buitelde |
| hij, zij, het | buitelt | buitelde |
| wij | buitelen | buitelden |
| jullie | buitelen | buitelden |
| zij | buitelen | buitelden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buitel | gebiedende wijs |
| buitelde | verleden tijd |
| buitele | aanvoegende wijs |
| buitelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebuiteld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gebuiteld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gebuiteld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gebuiteld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gebuiteld worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gebuiteld zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gebuiteld worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gebuiteld zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebuiteld | verleden tijd, deelwoord |
| gebuiteld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebuiteld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gebuiteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te buitelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gebuiteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buitelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gebuiteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen buitelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult buitelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit mogelijk Middelnederlands beiten "van een rijdier afstappen" met het achtervoegsel -el, in de betekenis van ‘tuimelen’ voor het eerst aangetroffen in 1612
Woordfamilie van buitelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitel | gebiedende wijs | buitelen |
| buitelde | verleden tijd | buitelen |
| buitelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | buitelen |
| buitele | aanvoegende wijs | buitelen |
| buitelend | onvoltooid deelwoord | buitelen |
| buitelende | woordvorm | buitelen |
| buitelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | buitelen |
| gebuiteld | voltooid deelwoord | buitelen |
| gebuitelde | woordvorm | buitelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitelen zijn vastgelegd.