doorslijten
werkwoordBetekenis
- door slijten kapotgaan
Vervoeging van doorslijten
doorslijtenhele werkwoord — sleet doorverleden tijd enkelvoud — sleten doorverleden tijd meervoud — doorgesletenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slijt door | sleet door |
| jij | slijt door | sleet door |
| hij, zij, het | slijt door | sleet door |
| wij | slijten door | sleten door |
| jullie | slijten door | sleten door |
| zij | slijten door | sleten door |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te slijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen slijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal slijten | bijzin, toekomende tijd |
| door zou slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen slijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen slijten | bijzin, toekomende tijd |
| door zult slijten | bijzin, toekomende tijd |
| doorgesleten | verleden tijd, deelwoord |
| doorgesleten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgesleten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorsleet | bijzin, verleden tijd |
| doorsleten | bijzin, verleden tijd |
| doorslijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorslijtend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleet door | verleden tijd |
| slijt door | gebiedende wijs |
| te zijn doorgesleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorslijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorslijten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgesleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorslijten door zou(dt) slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorslijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorslijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doorslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorslijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doorslijten door zult/zal slijten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en slijten
Woordfamilie van doorslijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgesleten | voltooid deelwoord | doorslijten |
| doorsleet | subordinate-clause, verleden tijd | doorslijten |
| doorsleten | subordinate-clause, verleden tijd | doorslijten |
| doorslijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorslijten |
| doorslijte | with-subordinate-clause | doorslijten |
| doorslijtend | onvoltooid deelwoord | doorslijten |
| doorslijtende | woordvorm | doorslijten |
| sleet door | verleden tijd | doorslijten |
| sleten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorslijten |
| slijt door | gebiedende wijs | doorslijten |
| slijte door | woordvorm | doorslijten |
| slijten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorslijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorslijten zijn vastgelegd.