afslijten
werkwoordBetekenis
- in een proces van slijtage verliezen
Vervoeging van afslijten
afslijtenhele werkwoord — sleet afverleden tijd enkelvoud — sleten afverleden tijd meervoud — afgesletenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slijt af | sleet af |
| jij | slijt af | sleet af |
| hij, zij, het | slijt af | sleet af |
| wij | slijten af | sleten af |
| jullie | slijten af | sleten af |
| zij | slijten af | sleten af |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te slijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen slijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal slijten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen slijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen slijten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult slijten | bijzin, toekomende tijd |
| afgesleten | verleden tijd, deelwoord |
| afgesleten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesleten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesleten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesleten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesleten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesleten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesleten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesleten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesleten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesleten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsleet | bijzin, verleden tijd |
| afsleten | bijzin, verleden tijd |
| afslijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afslijtend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgesleten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgesleten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgesleten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgesleten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgesleten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgesleten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgesleten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgesleten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sleet af | verleden tijd |
| slijt af | gebiedende wijs |
| te hebben afgesleten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afslijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgesleten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgesleten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgesleten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgesleten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afslijten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgesleten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afslijten af zou(dt) slijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesleten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesleten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afslijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesleten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afslijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afslijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afslijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesleten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgesleten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en slijten ww
Woordfamilie van afslijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesleten | voltooid deelwoord | afslijten |
| afsleet | subordinate-clause, verleden tijd | afslijten |
| afsleten | subordinate-clause, verleden tijd | afslijten |
| afslijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afslijten |
| afslijte | with-subordinate-clause | afslijten |
| afslijtend | onvoltooid deelwoord | afslijten |
| afslijtende | woordvorm | afslijten |
| sleet af | verleden tijd | afslijten |
| sleten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afslijten |
| slijt af | gebiedende wijs | afslijten |
| slijte af | woordvorm | afslijten |
| slijten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afslijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslijten zijn vastgelegd.