diploma
zelfstandig naamwoord diˈplomaBetekenis
- een bewijs van bevoegdheid, bewijs dat je een examen hebt gehaald
- getuigschrift horende bij een prijs
- document dat bestaat uit een blad dat dwars op de lengterichting door midden is gevouwen
Hoe spreek je diploma uit?
/diˈploma/
Diploma bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| i | riet |
| p | pak |
| l | land |
| o | boot |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- document dat bestaat uit een blad dat dwars op de lengterichting doormidden is gevouwen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| diploma's | meervoud |
| diplomaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| diplomaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bewijs van slagen voor examen’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Woordfamilie van diploma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| diploma's | meervoud | diploma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van diploma zijn vastgelegd.