stoma
zelfstandig naamwoord ˈstomaBetekenis
- huidmondje, een opening in een blad waar gassen doorheen kunnen
- kunstmatige uitgang in het (menselijk) lichaam.. Deze uitgang kan zijn voor ontlasting (colostoma of ileostoma), urine (urinestoma of urostoma, of een nefrostoma), gal (galstoma of leverstoma) en ademhaling (tracheostoma).
Hoe spreek je stoma uit?
/ˈstoma/
Stoma bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| o | boot |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kunstmatige uitgang in het (menselijk) lichaam. Deze uitgang kan zijn voor ontlasting (colostoma of ileostoma), urine (urinestoma of urostoma, of een nefrostoma), gal (galstoma of leverstoma) en ademhaling (tracheostoma).
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stoma's | meervoud |
| stomaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stomaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| stomata | meervoud |
Herkomst
van modern Latijn stoma **[1]: in de betekenis van ‘huidmondje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1895 **[2]: in de betekenis van ‘kunstmatige darmopening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961
Woordfamilie van stoma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stoma's | meervoud | stoma |
| stomaatje | verkleinwoord | stoma |
| stomaatjes | verkleinwoord meervoud | stoma |
| stomata | meervoud | stoma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoma zijn vastgelegd.