dabben
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɑbə(n)Betekenis
- een dansbeweging maken waarin men het hoofd laat zakken terwijl de arm en elleboog opzij omhoog worden geworpen
- (van paarden) met de voorpoten stampen
- met handen of voeten de grond overhoop halen, wroeten, baggeren
- opgraven of juist begraven
Hoe spreek je dabben uit?
/ˈdɑbən/
Dabben bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met de voorpoten stampen unergative
Vervoeging van dabben
dabbenhele werkwoord — dabdeverleden tijd enkelvoud — dabdenverleden tijd meervoud — gedabdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dab | dabde |
| jij | dabt | dabde |
| hij, zij, het | dabt | dabde |
| wij | dabben | dabden |
| jullie | dabben | dabden |
| zij | dabben | dabden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dab | gebiedende wijs |
| dabbe | aanvoegende wijs |
| dabbend | onvoltooid, deelwoord |
| dabde | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedabd | verleden tijd, deelwoord |
| gedabd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedabd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedabd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedabd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedabd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedabd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedabd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedabd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedabd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedabd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedabd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dabben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedabd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dabben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dabben | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedabd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dabben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dabben | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedabd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dab
Herkomst
[1] afgeleid van dab met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van dabben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dabbe | aanvoegende wijs | dabben |
| dabbend | onvoltooid deelwoord | dabben |
| dabbende | woordvorm | dabben |
| dabde | verleden tijd | dabben |
| dabden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dabben |
| dabt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dabben |
| gedabd | voltooid deelwoord | dabben |
| gedabde | woordvorm | dabben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dabben zijn vastgelegd.