| - |
impersonal, passief
|
| ben gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| bonjour |
gebiedende wijs
|
| bonjourde |
verleden tijd
|
| bonjoure |
aanvoegende wijs
|
| bonjourend |
onvoltooid, deelwoord
|
| er is gebonjourd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gebonjourd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gebonjourd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gebonjourd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gebonjourd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gebonjourd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gebonjourd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gebonjourd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gebonjourd |
verleden tijd, deelwoord
|
| gebonjourd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gebonjourd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gebonjourd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gebonjourd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gebonjourd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gebonjourd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gebonjourd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gebonjourd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gebonjourd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gebonjourd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gebonjourd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te bonjouren |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te hebben gebonjourd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen bonjouren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gebonjourd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gebonjourd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zal gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zijn gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gebonjourd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zou gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zouden gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zoudt bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zoudt gebonjourd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gebonjourd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zullen bonjouren |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zullen gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zult bonjouren |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zult gebonjourd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gebonjourd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gebonjourd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|