bezighouden
werkwoord ˈbezəxˌhɑudə(n)Betekenis
- de aandacht ergens op gericht houden
- iets te doen geven
- zich ~ met: tijd en inspanning besteden aan, zich ophouden met
Hoe spreek je bezighouden uit?
/ˈbezəxˌhɑudən/
Bezighouden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| x | acht |
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van bezighouden
bezighoudenhele werkwoord — hield bezigverleden tijd enkelvoud — hielden bezigverleden tijd meervoud — beziggehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou bezig/houd bezig | hield bezig |
| jij | houdt bezig | hield bezig |
| hij, zij, het | houdt bezig | hield bezig |
| wij | houden bezig | hielden bezig |
| jullie | houden bezig | hielden bezig |
| zij | houden bezig | hielden bezig |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezig te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bezig te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezig zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| bezig zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| bezig zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| bezig zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| bezig zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezig zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| bezig zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| beziggehouden | verleden tijd, deelwoord |
| beziggehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beziggehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beziggehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beziggehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beziggehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beziggehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beziggehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beziggehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beziggehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beziggehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezighield | bijzin, verleden tijd |
| bezighielden | bijzin, verleden tijd |
| bezighou/bezighoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bezighoudend | onvoltooid, deelwoord |
| bezighoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is beziggehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beziggehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beziggehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beziggehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beziggehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beziggehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beziggehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beziggehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. hou bezig/houd bezig | gebiedende wijs |
| had beziggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beziggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beziggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beziggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beziggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield bezig | verleden tijd |
| is beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben beziggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezighouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beziggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beziggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beziggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beziggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beziggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beziggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beziggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beziggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bezighouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beziggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezighouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) bezighouden bezig zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bezighouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt beziggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beziggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bezighouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beziggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beziggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beziggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezighouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezighouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bezighouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult beziggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beziggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van bezig en houden
Woordfamilie van bezighouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beziggehouden | voltooid deelwoord | bezighouden |
| bezighield | subordinate-clause, verleden tijd | bezighouden |
| bezighielden | subordinate-clause, verleden tijd | bezighouden |
| bezighou | with-subordinate-clause | bezighouden |
| bezighoud | with-subordinate-clause | bezighouden |
| bezighoude | with-subordinate-clause | bezighouden |
| bezighoudend | onvoltooid deelwoord | bezighouden |
| bezighoudende | woordvorm | bezighouden |
| bezighoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bezighouden |
| hield bezig | verleden tijd | bezighouden |
| hielden bezig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezighouden |
| hou bezig | woordvorm | bezighouden |
| houd bezig | woordvorm | bezighouden |
| houde bezig | woordvorm | bezighouden |
| houden bezig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bezighouden |
| houdt bezig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezighouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezighouden zijn vastgelegd.