Naar de inhoud

bebouwen

vullen met gebouwen

bebouwen

werkwoord

Betekenis

  1. vullen met gebouwen
  2. landbouwgrond met gewassen beplanten

Vervoeging van bebouwen

bebouwenhele werkwoord — bebouwdeverleden tijd enkelvoud — bebouwdenverleden tijd meervoud — bebouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bebouw bebouwde
jij bebouwt bebouwde
hij, zij, het bebouwt bebouwde
wij bebouwen bebouwden
jullie bebouwen bebouwden
zij bebouwen bebouwden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bebouw gebiedende wijs
bebouwd verleden tijd, deelwoord
bebouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bebouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bebouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bebouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bebouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bebouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bebouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bebouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bebouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bebouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bebouwde verleden tijd
bebouwe aanvoegende wijs
bebouwend onvoltooid, deelwoord
ben bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is bebouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bebouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bebouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bebouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bebouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bebouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bebouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bebouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bebouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bebouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bebouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bebouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bebouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bebouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van bouwen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van bebouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bebouw gebiedende wijs bebouwen
bebouwd voltooid deelwoord bebouwen
bebouwde verleden tijd bebouwen
bebouwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bebouwen
bebouwe aanvoegende wijs bebouwen
bebouwend onvoltooid deelwoord bebouwen
bebouwende woordvorm bebouwen
bebouwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bebouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bebouwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bebouwen

Wat is de betekenis van bebouwen?
Bebouwen is een werkwoord. De betekenis is: vullen met gebouwen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bebouwen?
Zo vervoeg je bebouwen zo: de tegenwoordige tijd is bebouw, de verleden tijd is bebouwde en het voltooid deelwoord is bebouwd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bebouwen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. B 3
  4. O 1
  5. U 4
  6. W 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bebouwen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. B 4
  4. O 1
  5. U 2
  6. W 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bebouwen in het kort

bebouwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bebouwen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bebouwen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bebouwen: vullen met gebouwen
Deel bebouwen — standaardnederlands.nl