bebouwen
werkwoordBetekenis
- vullen met gebouwen
- landbouwgrond met gewassen beplanten
Vervoeging van bebouwen
bebouwenhele werkwoord — bebouwdeverleden tijd enkelvoud — bebouwdenverleden tijd meervoud — bebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bebouw | bebouwde |
| jij | bebouwt | bebouwde |
| hij, zij, het | bebouwt | bebouwde |
| wij | bebouwen | bebouwden |
| jullie | bebouwen | bebouwden |
| zij | bebouwen | bebouwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bebouw | gebiedende wijs |
| bebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| bebouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bebouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bebouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bebouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bebouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bebouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bebouwde | verleden tijd |
| bebouwe | aanvoegende wijs |
| bebouwend | onvoltooid, deelwoord |
| ben bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bebouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bebouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bebouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bebouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bebouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bebouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bebouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bebouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bouwen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bebouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bebouw | gebiedende wijs | bebouwen |
| bebouwd | voltooid deelwoord | bebouwen |
| bebouwde | verleden tijd | bebouwen |
| bebouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bebouwen |
| bebouwe | aanvoegende wijs | bebouwen |
| bebouwend | onvoltooid deelwoord | bebouwen |
| bebouwende | woordvorm | bebouwen |
| bebouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bebouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bebouwen zijn vastgelegd.