bepotelen
werkwoord bəˈpotələ(n)Betekenis
- betasten, met de vingers (of klauwen) aanraken, beroeren
Hoe spreek je bepotelen uit?
/bəˈpotələn/
Bepotelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| p | pak |
| o | boot |
| t | tak |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bepotelen
bepotelenhele werkwoord — bepoteldeverleden tijd enkelvoud — bepoteldenverleden tijd meervoud — bepoteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bepotel | bepotelde |
| jij | bepotelt | bepotelde |
| hij, zij, het | bepotelt | bepotelde |
| wij | bepotelen | bepotelden |
| jullie | bepotelen | bepotelden |
| zij | bepotelen | bepotelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bepotel | gebiedende wijs |
| bepoteld | verleden tijd, deelwoord |
| bepoteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bepoteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bepoteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepoteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepoteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepoteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bepoteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bepoteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepoteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepoteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepotelde | verleden tijd |
| bepotele | aanvoegende wijs |
| bepotelend | onvoltooid, deelwoord |
| er is bepoteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bepoteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bepoteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bepoteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bepoteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bepoteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bepoteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bepoteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bepoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bepoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bepoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bepoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepoteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bepotelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bepoteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bepotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bepoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bepoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bepoteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bepoteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bepoteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bepoteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bepoteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bepoteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepoteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bepotelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bepoteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepoteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepoteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bepotelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van potelen met het voorvoegsel be- (in Zeeuws, Brabants en Vlaams)
Woordfamilie van bepotelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bepotel | gebiedende wijs | bepotelen |
| bepoteld | voltooid deelwoord | bepotelen |
| bepotelde | verleden tijd | bepotelen |
| bepotelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bepotelen |
| bepotele | aanvoegende wijs | bepotelen |
| bepotelend | onvoltooid deelwoord | bepotelen |
| bepotelende | woordvorm | bepotelen |
| bepotelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bepotelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bepotelen zijn vastgelegd.