benadelen
werkwoord bəˈnadelə(n)Betekenis
- iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
Hoe spreek je benadelen uit?
/bəˈnadelən/
Benadelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van benadelen
benadelenhele werkwoord — benadeeldeverleden tijd enkelvoud — benadeeldenverleden tijd meervoud — benadeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | benadeel | benadeelde |
| jij | benadeelt | benadeelde |
| hij, zij, het | benadeelt | benadeelde |
| wij | benadelen | benadeelden |
| jullie | benadelen | benadeelden |
| zij | benadelen | benadeelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| benadeel | gebiedende wijs |
| benadeeld | verleden tijd, deelwoord |
| benadeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benadeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benadeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benadeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benadeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benadeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benadeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benadeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benadeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benadeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benadeelde | verleden tijd |
| benadele | aanvoegende wijs |
| benadelend | onvoltooid, deelwoord |
| bent benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is benadeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was benadeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd benadeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt benadeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal benadeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal benadeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou benadeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou benadeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had benadeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had benadeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden benadeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden benadeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benadeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te benadelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben benadeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen benadelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benadeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benadeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was benadeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was benadeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was benadeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt benadeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt benadeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt benadeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benadeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benadelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult benadeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benadeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benadeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benadelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afleiding van nadeel (zelfstandig naamwoord) met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van benadelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| benadeel | gebiedende wijs | benadelen |
| benadeeld | voltooid deelwoord | benadelen |
| benadeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | benadelen |
| benadele | aanvoegende wijs | benadelen |
| benadelend | onvoltooid deelwoord | benadelen |
| benadelende | woordvorm | benadelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van benadelen zijn vastgelegd.