Naar de inhoud

deren

schade doen, gewond raken, pijn krijgen

deren

werkwoord

Betekenis

  1. schade doen, gewond raken, pijn krijgen

Vervoeging van deren

derenhele werkwoord — deerdeverleden tijd enkelvoud — deerdenverleden tijd meervoud — gedeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik deer deerde
jij deert deerde
hij, zij, het deert deerde
wij deren deerden
jullie deren deerden
zij deren deerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
deer gebiedende wijs
deerde verleden tijd
dere aanvoegende wijs
derend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gedeerd verleden tijd, deelwoord
gedeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te deren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen deren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt deren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen deren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult deren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘schade doen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Woordfamilie van deren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deer gebiedende wijs deren
deerde verleden tijd deren
deerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon deren
deert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon deren
dere aanvoegende wijs deren
derend onvoltooid deelwoord deren
derende woordvorm deren
gedeerd voltooid deelwoord deren
gedeerde woordvorm deren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over deren

Wat is de betekenis van deren?
Deren is een werkwoord. De betekenis is: schade doen, gewond raken, pijn krijgen.
Hoe vervoeg ik deren?
Zo vervoeg je deren zo: de tegenwoordige tijd is deer, de verleden tijd is deerde en het voltooid deelwoord is gedeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord deren is 7 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 7 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

deren levert met Wordfeud minimaal 7 en maximaal 33 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 7 zonder bonus
  7. 33 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (D) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

deren telt 5 letters, waarvan 4 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

deren in het kort

deren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van deren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort deren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

deren: schade doen, gewond raken, pijn krijgen
Deel deren — standaardnederlands.nl