deren
werkwoordBetekenis
- schade doen, gewond raken, pijn krijgen
Vervoeging van deren
derenhele werkwoord — deerdeverleden tijd enkelvoud — deerdenverleden tijd meervoud — gedeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deer | deerde |
| jij | deert | deerde |
| hij, zij, het | deert | deerde |
| wij | deren | deerden |
| jullie | deren | deerden |
| zij | deren | deerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deer | gebiedende wijs |
| deerde | verleden tijd |
| dere | aanvoegende wijs |
| derend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te deren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt deren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen deren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult deren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schade doen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van deren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deer | gebiedende wijs | deren |
| deerde | verleden tijd | deren |
| deerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deren |
| deert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | deren |
| dere | aanvoegende wijs | deren |
| derend | onvoltooid deelwoord | deren |
| derende | woordvorm | deren |
| gedeerd | voltooid deelwoord | deren |
| gedeerde | woordvorm | deren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deren zijn vastgelegd.