schaden
werkwoord, zelfstandig naamwoord /sxadə/Betekenis
- iets of iemand schade toebrengen
Hoe spreek je schaden uit?
/sxadə/
Schaden bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| d | dak |
| ə | de |
Vervoeging van schaden
schadenhele werkwoord — schaaddeverleden tijd enkelvoud — schaaddenverleden tijd meervoud — geschaadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaad | schaadde |
| jij | schaadt | schaadde |
| hij, zij, het | schaadt | schaadde |
| wij | schaden | schaadden |
| jullie | schaden | schaadden |
| zij | schaden | schaadden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaad | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaad | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaad | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaad | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaad worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaad zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaad worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaad zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaad | verleden tijd, deelwoord |
| geschaad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaad | gebiedende wijs |
| schaadde | verleden tijd |
| schade | aanvoegende wijs |
| schadend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schade
Woordfamilie van schaden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaad | voltooid deelwoord | schaden |
| geschade | woordvorm | schaden |
| schaad | gebiedende wijs | schaden |
| schaadde | verleden tijd | schaden |
| schaadden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaden |
| schaadt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaden |
| schadend | onvoltooid deelwoord | schaden |
| schadende | woordvorm | schaden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaden zijn vastgelegd.