Naar de inhoud

beloven

toezeggen dat iets gedaan zal worden

beloven

werkwoord bəˈlovə(n)

Betekenis

  1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
  2. dat belooft wat: nu dit gebeurd is gaat er nog veel meer gebeuren

Hoe spreek je beloven uit?

/bəˈlovən/

Beloven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈlovən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
l land
o boot
v vis
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van beloven

belovenhele werkwoord — beloofdeverleden tijd enkelvoud — beloofdenverleden tijd meervoud — beloofdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beloof beloofde
jij belooft beloofde
hij, zij, het belooft beloofde
wij beloven beloofden
jullie beloven beloofden
zij beloven beloofden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
beloof gebiedende wijs
beloofd verleden tijd, deelwoord
beloofd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beloofd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beloofd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beloofd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beloofd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beloofd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beloofd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beloofd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beloofd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beloofd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beloofde verleden tijd
belove aanvoegende wijs
belovend onvoltooid, deelwoord
ben beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is beloofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beloofd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beloofd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beloofd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beloofd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beloofd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beloofd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beloofd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beloofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beloofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beloofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beloofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beloofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beloven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beloofd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beloven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beloofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beloofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beloofd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beloofd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beloofd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beloofd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beloofd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beloofd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt beloofd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beloofd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beloven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beloven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult beloofd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beloofd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beloofd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beloven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

erfwoord via Middelnederlands van Oudnederlands biloven, op te vatten als afgeleid van loven met het voorvoegsel be-, in de betekenis van ‘afstand doen van’ aangetroffen vanaf 1100

Woordfamilie van beloven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beloof gebiedende wijs beloven
beloofd voltooid deelwoord beloven
beloofde verleden tijd beloven
beloofden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beloven
belooft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beloven
belove aanvoegende wijs beloven
belovend onvoltooid deelwoord beloven
belovende woordvorm beloven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beloven zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over beloven

Hoe spreek ik beloven uit?
Zo spreek je beloven uit: /bəˈlovə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van beloven?
Beloven is een werkwoord. De betekenis is: toezeggen dat iets gedaan zal worden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik beloven?
Zo vervoeg je beloven zo: de tegenwoordige tijd is beloof, de verleden tijd is beloofde en het voltooid deelwoord is beloofd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spreekwoorden en gezegden met beloven

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op beloven?

Op beloven rijmen 17 woorden, onder andere boven, oven en beroven. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op beloven, uitspraak bəˈlovən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
boven 2
oven 2
beroven 3
doven 2
geloven 3
verloven 3
linksboven 3
rechtsboven 3
aangeschoven 4
aangestoven 4
gewoven 3
hierenboven 4
koeltekloven 4
proven 2
sjoven 2
tepelkloven 4
zoven 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beloven is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. O 1
  5. V 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beloven levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. O 1
  5. V 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

beloven telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

beloven in het kort

beloven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van beloven staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort beloven bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

beloven: toezeggen dat iets gedaan zal worden
Deel beloven — standaardnederlands.nl