beroven
werkwoord bəˈrovə(n)Betekenis
- iemand met geweld zijn bezit ontnemen
- iemand het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets
Hoe spreek je beroven uit?
/bəˈrovən/
Beroven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| r | rood |
| o | boot |
| v | vis |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beroven
berovenhele werkwoord — beroofdeverleden tijd enkelvoud — beroofdenverleden tijd meervoud — beroofdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beroof | beroofde |
| jij | berooft | beroofde |
| hij, zij, het | berooft | beroofde |
| wij | beroven | beroofden |
| jullie | beroven | beroofden |
| zij | beroven | beroofden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beroof | gebiedende wijs |
| beroofd | verleden tijd, deelwoord |
| beroofd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beroofd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beroofd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroofd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroofd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beroofd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beroofd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beroofd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroofd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroofd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beroofde | verleden tijd |
| berove | aanvoegende wijs |
| berovend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beroofd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beroofd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beroofd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beroofd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beroofd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beroofd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beroofd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beroofd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beroofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beroofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beroofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beroofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroofd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beroven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beroofd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beroven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beroofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beroofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beroofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beroofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beroofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beroofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beroofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beroofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beroofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beroven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beroven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beroofd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroofd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beroven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van roven met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beroven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beroof | gebiedende wijs | beroven |
| beroofd | voltooid deelwoord | beroven |
| beroofde | verleden tijd | beroven |
| beroofden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beroven |
| berooft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beroven |
| berove | aanvoegende wijs | beroven |
| berovend | onvoltooid deelwoord | beroven |
| berovende | woordvorm | beroven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beroven zijn vastgelegd.