verloven
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈlovə(n)Betekenis
- zich ~: iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
Hoe spreek je verloven uit?
/vərˈlovən/
Verloven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| o | boot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verloven
verlovenhele werkwoord — verloofdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verloof me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verloof u/je , verlooft je | gebiedende wijs |
| verloofd | verleden tijd, deelwoord |
| verloofde | verleden tijd |
| verloofde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verloofde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verloofde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verloofde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verloofde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verloofde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verloofde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verloofden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verloofden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verloofden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlooft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verlooft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlooft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlooft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verlooft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlooft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlove zich | aanvoegende wijs |
| verloven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verloven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verloven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verloven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verloven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verloven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verloofd hebben | verleden tijd |
| zich verlovend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verloven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verloven | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verloven | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verloven | tweede persoon |
| zult u verloven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verloven | tweede persoon |
| zult zich/u verloven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verlof
Herkomst
In de betekenis van ‘door trouwbelofte verbinden’ voor het eerst aangetroffen in 1634
Woordfamilie van verloven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verloof | woordvorm | verloven |
| verlooft | woordvorm | verloven |
| verlove | woordvorm | verloven |
| verlovend | woordvorm | verloven |
| verlovende | woordvorm | verloven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verloven zijn vastgelegd.