beetkrijgen
werkwoordBetekenis
- te pakken krijgen
- (van een ziekte) oplopen
werkwoord
- oplopen transitive
Vervoeging van beetkrijgen
beetkrijgenhele werkwoord — kreeg beetverleden tijd enkelvoud — kregen beetverleden tijd meervoud — beetgekregenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krijg beet | kreeg beet |
| jij | krijgt beet | kreeg beet |
| hij, zij, het | krijgt beet | kreeg beet |
| wij | krijgen beet | kregen beet |
| jullie | krijgen beet | kregen beet |
| zij | krijgen beet | kregen beet |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beet te krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beet te zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beet zal krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| beet zou krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zouden krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zoudt krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beet zullen krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| beet zult krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| beetgekregen | verleden tijd, deelwoord |
| beetgekregen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beetgekregen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beetkreeg | bijzin, verleden tijd |
| beetkregen | bijzin, verleden tijd |
| beetkrijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| beetkrijgend | onvoltooid, deelwoord |
| beetkrijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is beetgekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beetgekregen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beetgekregen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beetgekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beetgekregen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beetgekregen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beetgekregen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beetgekregen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beetgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beetgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beetgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beetgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beetgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beetgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beetgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beetgekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beetgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg beet | verleden tijd |
| krijg beet | gebiedende wijs |
| te hebben beetgekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beetkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beetkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zou beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beetkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) beetkrijgen beet zou(dt) krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beetkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt beetgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beetkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beetkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen beetkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult beetgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beetkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult beetkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal beetkrijgen beet zult/zal krijgen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van beet en krijgen
Woordfamilie van beetkrijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beetgekregen | voltooid deelwoord | beetkrijgen |
| beetkreeg | subordinate-clause, verleden tijd | beetkrijgen |
| beetkregen | subordinate-clause, verleden tijd | beetkrijgen |
| beetkrijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | beetkrijgen |
| beetkrijge | with-subordinate-clause | beetkrijgen |
| beetkrijgend | onvoltooid deelwoord | beetkrijgen |
| beetkrijgende | woordvorm | beetkrijgen |
| beetkrijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | beetkrijgen |
| kreeg beet | verleden tijd | beetkrijgen |
| kregen beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beetkrijgen |
| krijg beet | gebiedende wijs | beetkrijgen |
| krijge beet | woordvorm | beetkrijgen |
| krijgen beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | beetkrijgen |
| krijgt beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beetkrijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beetkrijgen zijn vastgelegd.