Naar de inhoud

vastpakken

iets of iemand grijpen en vasthouden

vastpakken

werkwoord ˈvɑs(t)pɑkə(n)

Betekenis

  1. iets of iemand grijpen en vasthouden

Hoe spreek je vastpakken uit?

/ˈvɑstpɑkən/

Vastpakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvɑstpɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɑ bad
s sok
t tak
p pak
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vastpakken

vastpakkenhele werkwoord — pakte vastverleden tijd enkelvoud — pakten vastverleden tijd meervoud — vastgepaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pak vast pakte vast
jij pakt vast pakte vast
hij, zij, het pakt vast pakte vast
wij pakken vast pakten vast
jullie pakken vast pakten vast
zij pakken vast pakten vast
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgepakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgepakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgepakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgepakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgepakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgepakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgepakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pak vast gebiedende wijs
pakte vast verleden tijd
te hebben vastgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te pakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal pakken bijzin, toekomende tijd
vast zou pakken bijzin, voorwaardelijk
vast zouden pakken bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt pakken bijzin, voorwaardelijk
vast zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen pakken bijzin, toekomende tijd
vast zult pakken bijzin, toekomende tijd
vastgepakt verleden tijd, deelwoord
vastgepakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgepakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgepakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgepakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgepakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgepakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgepakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgepakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgepakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgepakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastpak bijzin, tegenwoordige tijd
vastpakkend onvoltooid, deelwoord
vastpakt bijzin, tegenwoordige tijd
vastpakte bijzin, verleden tijd
vastpakten bijzin, verleden tijd
waart vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastpakken bijzin, toekomende tijd
zijn vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastpakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastpakken vast zou(dt) pakken bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastpakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgepakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastpakken bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastpakken bijzin, toekomende tijd
zult vastgepakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van vast en pakken

Woordfamilie van vastpakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
pak vast gebiedende wijs vastpakken
pakke vast woordvorm vastpakken
pakken vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastpakken
pakt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastpakken
pakte vast verleden tijd vastpakken
pakten vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastpakken
vastgepakt voltooid deelwoord vastpakken
vastgepakte woordvorm vastpakken
vastpak subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastpakken
vastpakke with-subordinate-clause vastpakken
vastpakkend onvoltooid deelwoord vastpakken
vastpakkende woordvorm vastpakken
vastpakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastpakken
vastpakte subordinate-clause, verleden tijd vastpakken
vastpakten subordinate-clause, verleden tijd vastpakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastpakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastpakken

Hoe spreek ik vastpakken uit?
Zo spreek je vastpakken uit: /ˈvɑs(t)pɑkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van vastpakken?
Vastpakken is een werkwoord. De betekenis is: iets of iemand grijpen en vasthouden.
Hoe vervoeg ik vastpakken?
Zo vervoeg je vastpakken zo: het voltooid deelwoord is vastgepakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastpakken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. P 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastpakken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. P 4
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastpakken in het kort

vastpakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vastpakken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vastpakken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vastpakken: iets of iemand grijpen en vasthouden
Deel vastpakken — standaardnederlands.nl