beesten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbestə(n)Betekenis
- zich misdragen, de beest uithangen
Hoe spreek je beesten uit?
/ˈbestən/
Beesten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beesten
beestenhele werkwoord — beestteverleden tijd enkelvoud — beesttenverleden tijd meervoud — gebeestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beest | beestte |
| jij | beest | beestte |
| hij, zij, het | beest | beestte |
| wij | beesten | beestten |
| jullie | beesten | beestten |
| zij | beesten | beestten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beest | gebiedende wijs |
| beeste | aanvoegende wijs |
| beestend | onvoltooid, deelwoord |
| beestte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeest | verleden tijd, deelwoord |
| gebeest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beest
Herkomst
afgeleid van beest met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van beesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beeste | aanvoegende wijs | beesten |
| beestend | onvoltooid deelwoord | beesten |
| beestende | woordvorm | beesten |
| beestte | verleden tijd | beesten |
| beestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beesten |
| gebeest | voltooid deelwoord | beesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beesten zijn vastgelegd.