schijf
zelfstandig naamwoord /sxɛi̯f/Betekenis
- een plat en rond voorwerp (discus)
- afgesneden plak van een of andere stof (filet, moot, plak, snee)
- opslagmedium
Hoe spreek je schijf uit?
/sxɛif/
Schijf bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- plat en rond voorwerp (discus)
- afgesneden plak van een of andere stof
- platte en ronde muziekdrager
- muziekalbum of muzieknummer, in het bijzonder een goed nummer figuratively
- elk van de stenen waarmee het damspel wordt gespeeld
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schijfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schijfjes | verkleinwoord, meervoud |
| schijven | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘platrond voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.
Woordfamilie van schijf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schijfjes | verkleinwoord meervoud | schijf |
| schijven | meervoud | schijf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schijf zijn vastgelegd.