architect
zelfstandig naamwoord ˌɑrxiˈtɛktBetekenis
- iemand die gebouwen en constructies ontwerpen|ontwerpt en de leiding neemt tijdens de bouw ervan
- ontwerper, bedenker van iets anders dan een gebouw
Hoe spreek je architect uit?
/ˌɑrxiˈtɛkt/
Architect bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| x | acht |
| i | riet |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die gebouwen en constructies ontwerpt en de leiding neemt tijdens de bouw ervan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| architecten | meervoud |
| architectje | verkleinwoord, enkelvoud |
| architectjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Frans architecte of direct via Latijn architectus van Oudgrieks ἀρχιτέκτων (architéktoon) "bouwmeester", in de betekenis van ‘bouwmeester’ aangetroffen vanaf 1553
Woordfamilie van architect
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| architecten | meervoud | architect |
| architectje | verkleinwoord | architect |
| architectjes | verkleinwoord meervoud | architect |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van architect zijn vastgelegd.