affect
zelfstandig naamwoord ɑˈfɛktBetekenis
- aandoening van het gemoed, gemoedsaandoening; plotselinge, hevige emotie of gemoedstoestand
- gevoelswaarde, connotatie
- patroon van waarneembaar gedrag waarmee een subjectief gevoel (of emotie) tot uitdrukking wordt gebracht
- affecteren
- beïnvloeden
Hoe spreek je affect uit?
/ɑˈfɛkt/
Affect bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| affecten | meervoud |
| affectje | verkleinwoord, enkelvoud |
| affectjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gemoedsaandoening’ voor het eerst aangetroffen in 1557
Woordfamilie van affect
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| affecten | meervoud | affect |
| affectje | verkleinwoord | affect |
| affectjes | verkleinwoord meervoud | affect |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affect zijn vastgelegd.