angel
zelfstandig naamwoord ˈɑŋəlBetekenis
- het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
- een vishaak
Hoe spreek je angel uit?
/ˈɑŋəl/
Angel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
- vishaak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| angels | meervoud |
| angeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| angeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘haak, hengel’ voor het eerst aangetroffen in 1276
Woordfamilie van angel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| angels | meervoud | angel |
| angeltje | verkleinwoord | angel |
| angeltjes | verkleinwoord meervoud | angel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van angel zijn vastgelegd.