ander
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈɑndərBetekenis
- diegene die je niet zelf bent
- diegene die niet eerder genoemd is
- niet deze
- een of ander: het maakt niet uit
- het een en ander:dit en wat anders
Hoe spreek je ander uit?
/ˈɑndər/
Ander bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| anderen | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- het een en ander: dit en wat anders
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands ander van Oudnederlands andar, als telwoord in de betekenis van ‘de tweede, niet dezelfde’ aangetroffen vanaf 701
Woordfamilie van ander
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| andere | woordvorm | ander |
| anderen | meervoud | ander |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ander zijn vastgelegd.