ego
zelfstandig naamwoord ˈeɣoBetekenis
- gevoel van eigenwaarde
- ik (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)
Hoe spreek je ego uit?
/ˈexo/
Ego bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| x | acht |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- In de jungiaanse psychologie de organisatie van het bewustzijn waardoor de persoonlijkheid haar identiteit verkrijgt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ego's | meervoud |
| egootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| egootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] via Engels ego van Latijn ego, in de betekenis van ‘ik-gevoel’ aangetroffen vanaf 1843
Woordfamilie van ego
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ego's | meervoud | ego |
| egootje | verkleinwoord | ego |
| egootjes | verkleinwoord meervoud | ego |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ego zijn vastgelegd.