zelf
aanwijzend voornaamwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɛlᵊfBetekenis
- in eigen persoon, niet een ander
- in tegenstelling met iets anders
- eigen persoon (vaak gebruikt als eerste deel van een samenstelling om aan te geven dat het onderwerp en voorwerp van het tweede deel hetzelfde zijn)
- besef van identiteit
Hoe spreek je zelf uit?
/ˈzɛləf/
Zelf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- eigen persoon
zelfstandig naamwoord
- salie, benaming voor planten uit het geslacht Salvia
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanwijzend voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van zelf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zelfje | woordvorm | zelf |
| zelfjes | meervoud | zelf |
| zelven | meervoud | zelf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zelf zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- eenzelvig
- zelfaanvaarding
- zelfacceptatie
- zelfachting
- zelfanalyse
- zelfbedacht
- zelfbediening
- zelfbedrog
- zelfbedwang
- zelfbeeld
- zelfbegoocheling
- zelfbehaaglijk
- zelfbehagen
- zelfbeheer
- zelfbeheersing
- zelfbehoud
- zelfbeklag
- zelfbeoordeling
- zelfbeperking
- zelfbescherming
- zelfbeschikking
- zelfbeschouwing
- zelfbeschuldiging
- zelfbesef