affakkelen
werkwoordBetekenis
- verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
- afbranden, iemand kapotmaken, kleineren of belachelijk maken
Vervoeging van affakkelen
affakkelenhele werkwoord — fakkelde afverleden tijd enkelvoud — fakkelden afverleden tijd meervoud — afgefakkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fakkel af | fakkelde af |
| jij | fakkelt af | fakkelde af |
| hij, zij, het | fakkelt af | fakkelde af |
| wij | fakkelen af | fakkelden af |
| jullie | fakkelen af | fakkelden af |
| zij | fakkelen af | fakkelden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te fakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen fakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal fakkelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou fakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden fakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt fakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen fakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen fakkelen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult fakkelen | bijzin, toekomende tijd |
| affakkel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| affakkelde | bijzin, verleden tijd |
| affakkelden | bijzin, verleden tijd |
| affakkelend | onvoltooid, deelwoord |
| affakkelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgefakkeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgefakkeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgefakkeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgefakkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgefakkeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgefakkeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgefakkeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgefakkeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgefakkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgefakkeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgefakkeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgefakkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgefakkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgefakkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgefakkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgefakkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgefakkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgefakkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgefakkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fakkel af | gebiedende wijs |
| fakkelde af | verleden tijd |
| had afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgefakkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgefakkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen affakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgefakkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgefakkeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal affakkelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgefakkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgefakkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgefakkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou affakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) affakkelen af zou(dt) fakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden affakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt affakkelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgefakkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgefakkeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen affakkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen affakkelen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgefakkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgefakkeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgefakkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgefakkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgefakkeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult affakkelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en fakkelen ww
Woordfamilie van affakkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| affakkel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | affakkelen |
| affakkelde | subordinate-clause, verleden tijd | affakkelen |
| affakkelden | subordinate-clause, verleden tijd | affakkelen |
| affakkele | with-subordinate-clause | affakkelen |
| affakkelend | onvoltooid deelwoord | affakkelen |
| affakkelende | woordvorm | affakkelen |
| affakkelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | affakkelen |
| afgefakkeld | voltooid deelwoord | affakkelen |
| afgefakkelde | woordvorm | affakkelen |
| fakkel af | gebiedende wijs | affakkelen |
| fakkelde af | verleden tijd | affakkelen |
| fakkelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | affakkelen |
| fakkele af | woordvorm | affakkelen |
| fakkelen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | affakkelen |
| fakkelt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | affakkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affakkelen zijn vastgelegd.