zwenken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- wenden, keren
Vervoeging van zwenken
zwenkenhele werkwoord — zwenkteverleden tijd enkelvoud — zwenktenverleden tijd meervoud — gezwenktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwenk | zwenkte |
| jij | zwenkt | zwenkte |
| hij, zij, het | zwenkt | zwenkte |
| wij | zwenken | zwenkten |
| jullie | zwenken | zwenkten |
| zij | zwenken | zwenkten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwenkt | verleden tijd, deelwoord |
| gezwenkt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwenkt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn gezwenkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waart gezwenkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwenkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezwenkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwenkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezwenkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezwenkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezwenkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezwenkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezwenkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwenkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwenkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwenk | gebiedende wijs |
| zwenke | aanvoegende wijs |
| zwenkend | onvoltooid, deelwoord |
| zwenkte | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwenk
Herkomst
In de betekenis van ‘van richting veranderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1451
Woordfamilie van zwenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwenkt | voltooid deelwoord | zwenken |
| zwenke | aanvoegende wijs | zwenken |
| zwenkend | onvoltooid deelwoord | zwenken |
| zwenkende | woordvorm | zwenken |
| zwenkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwenken |
| zwenkte | verleden tijd | zwenken |
| zwenkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwenken zijn vastgelegd.