Naar de inhoud

wentelen

(onovergankelijk) om een as of steunpunt draaien

wentelen

werkwoord /ˈwɛntələ(n)/

Betekenis

  1. (onovergankelijk) om een as of steunpunt draaien
  2. (onovergankelijk) een cirkel beschrijven in een vlak loodrecht op een lijn
  3. draaien, in de rondte laten bewegen

Hoe spreek je wentelen uit?

/ˈwɛntələn/

Wentelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwɛntələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɛ bed
n nek
t tak
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. om een as of steunpunt draaien intransitive
  2. een cirkel beschrijven in een vlak loodrecht op een lijn intransitive

Vervoeging van wentelen

wentelenhele werkwoord — wenteldeverleden tijd enkelvoud — wenteldenverleden tijd meervoud — gewenteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wentel wentelde
jij wentelt wentelde
hij, zij, het wentelt wentelde
wij wentelen wentelden
jullie wentelen wentelden
zij wentelen wentelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gewenteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewenteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewenteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewenteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewenteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewenteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewenteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewenteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewenteld verleden tijd, deelwoord
gewenteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewenteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewenteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewenteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewenteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewenteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewenteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewenteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewenteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewenteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewenteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewenteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewenteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewenteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewenteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewenteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wentelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wentelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewenteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewenteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewenteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewenteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewenteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
wentel gebiedende wijs
wentelde verleden tijd
wentele aanvoegende wijs
wentelend onvoltooid, deelwoord
werd gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gewenteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gewenteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewenteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewenteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewenteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wentelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wentelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewenteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gewenteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gewenteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wentelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zich wenden’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van wentelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewenteld voltooid deelwoord wentelen
gewentelde woordvorm wentelen
wentel gebiedende wijs wentelen
wentelde verleden tijd wentelen
wentelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wentelen
wentele aanvoegende wijs wentelen
wentelend onvoltooid deelwoord wentelen
wentelende woordvorm wentelen
wentelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wentelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wentelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over wentelen

Hoe spreek je wentelen uit?
De uitspraak van wentelen is: /ˈwɛntələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent wentelen?
Wentelen is een werkwoord. Het woord betekent: (onovergankelijk) om een as of steunpunt draaien. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wentelen?
Je vervoegt wentelen als volgt: de tegenwoordige tijd is wentel, de verleden tijd is wentelde en het voltooid deelwoord is gewenteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wentelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wentelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wentelen in het kort

wentelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wentelen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wentelen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wentelen: (onovergankelijk) om een as of steunpunt draaien
Deel wentelen — standaardnederlands.nl