inleggen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het vatten van edelstenen in edelmetaal of hout in ander hout
- erin leggen
werkwoord
- inbrengen van geld (in een belegging etc.) transitive
- innemen transitive
- in, binnen, tussen iets leggen transitive
- met pekel, zuur, brandewijn of suiker in een pot doen om ze te conserveren transitive
- behalen
Vervoeging van inleggen
inleggenhele werkwoord — legde inverleden tijd enkelvoud — legden inverleden tijd meervoud — ingelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg in | legde in |
| jij | legt in | legde in |
| hij, zij, het | legt in | legde in |
| wij | leggen in | legden in |
| jullie | leggen in | legden in |
| zij | leggen in | legden in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| ingelegd | verleden tijd, deelwoord |
| ingelegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inlegde | bijzin, verleden tijd |
| inlegden | bijzin, verleden tijd |
| inleggend | onvoltooid, deelwoord |
| inlegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg in | gebiedende wijs |
| legde in | verleden tijd |
| te hebben ingelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inleggen in zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord inleg
Herkomst
samenstelling van in bw en leggen ww
Woordfamilie van inleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingelegd | voltooid deelwoord | inleggen |
| inlegde | subordinate-clause, verleden tijd | inleggen |
| inlegden | subordinate-clause, verleden tijd | inleggen |
| inlegge | with-subordinate-clause | inleggen |
| inleggend | onvoltooid deelwoord | inleggen |
| inleggende | woordvorm | inleggen |
| inlegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inleggen |
| leg in | gebiedende wijs | inleggen |
| legde in | verleden tijd | inleggen |
| legden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inleggen |
| legge in | woordvorm | inleggen |
| leggen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inleggen |
| legt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inleggen zijn vastgelegd.