Naar de inhoud

inleggen

het vatten van edelstenen in edelmetaal of hout in ander hout

inleggen is meer dan één woord

inleggen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. het vatten van edelstenen in edelmetaal of hout in ander hout
  2. erin leggen

werkwoord

  1. inbrengen van geld (in een belegging etc.) transitive
  2. innemen transitive
  3. in, binnen, tussen iets leggen transitive
  4. met pekel, zuur, brandewijn of suiker in een pot doen om ze te conserveren transitive
  5. behalen

Vervoeging van inleggen

inleggenhele werkwoord — legde inverleden tijd enkelvoud — legden inverleden tijd meervoud — ingelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg in legde in
jij legt in legde in
hij, zij, het legt in legde in
wij leggen in legden in
jullie leggen in legden in
zij leggen in legden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal leggen bijzin, toekomende tijd
in zou leggen bijzin, voorwaardelijk
in zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
in zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen leggen bijzin, toekomende tijd
in zult leggen bijzin, toekomende tijd
ingelegd verleden tijd, deelwoord
ingelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inleg bijzin, tegenwoordige tijd
inlegde bijzin, verleden tijd
inlegden bijzin, verleden tijd
inleggend onvoltooid, deelwoord
inlegt bijzin, tegenwoordige tijd
is ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg in gebiedende wijs
legde in verleden tijd
te hebben ingelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inleggen bijzin, toekomende tijd
zijn ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inleggen in zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inleggen bijzin, toekomende tijd
zult ingelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord inleg

Herkomst

samenstelling van in bw en leggen ww

Woordfamilie van inleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingelegd voltooid deelwoord inleggen
inlegde subordinate-clause, verleden tijd inleggen
inlegden subordinate-clause, verleden tijd inleggen
inlegge with-subordinate-clause inleggen
inleggend onvoltooid deelwoord inleggen
inleggende woordvorm inleggen
inlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inleggen
leg in gebiedende wijs inleggen
legde in verleden tijd inleggen
legden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inleggen
legge in woordvorm inleggen
leggen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inleggen
legt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inleggen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inleggen

Wat betekent inleggen?
Inleggen is een werkwoord. Het woord betekent: het vatten van edelstenen in edelmetaal of hout in ander hout. Deze pagina beschrijft 7 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inleggen?
Je vervoegt inleggen als volgt: het voltooid deelwoord is ingelegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inleggen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inleggen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inleggen in het kort

inleggen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 7 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inleggen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inleggen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inleggen: het vatten van edelstenen in edelmetaal of hout in ander hout
Deel inleggen — standaardnederlands.nl