ketel
zelfstandig naamwoord ˈketəlBetekenis
- een meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
- object om water aan de kook te brengen b.v. een fluitketel, waterketel
- keteldal
Hoe spreek je ketel uit?
/ˈketəl/
Ketel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
- kop van een aardewerken tabakspijp
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ketels | meervoud |
| keteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| keteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands ketel van Latijn catinus "schotel, kom" of het verkleinwoord daarvan catillus, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van ketel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ketels | meervoud | ketel |
| keteltje | verkleinwoord | ketel |
| keteltjes | verkleinwoord meervoud | ketel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ketel zijn vastgelegd.