betel
zelfstandig naamwoord 'betəlBetekenis
- te wikkelen en die dan op te kauwen.
Hoe spreek je betel uit?
/ˈbetəl/
Betel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Piper betle Aromatische, antibacteriële, stimulerende kruidachtige klimplant met halfverhoute stengels, glanzende tot 15 cm lange spitse bladeren en vlezige vruchten. Betelbladeren zijn goed voor het immuunsysteem. Bruikbare delen zijn de bladeren en de olie. De bladeren smaken enigszins naar kruidnagelen. Ze worden voornamelijk gebruikt om ze om betelnoten van de betelpalm Areca catechu te wikkelen en die dan op te kauwen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| betellen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘blad van plant waarop men kauwt’ voor het eerst aangetroffen in 1596
Woordfamilie van betel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betellen | meervoud | betel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betel zijn vastgelegd.