wijden
werkwoordBetekenis
- iets ~ aan: geheel voor een bepaald doel bestemmen
- zich ~ aan: zich geheel toeleggen op iets (zich richten naar)
- een heilige functie aan iets of iemand toebedelen
Vervoeging van wijden
wijdenhele werkwoord — wijddeverleden tijd enkelvoud — wijddenverleden tijd meervoud — gewijdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijd | wijdde |
| jij | wijdt | wijdde |
| hij, zij, het | wijdt | wijdde |
| wij | wijden | wijdden |
| jullie | wijden | wijdden |
| zij | wijden | wijdden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewijd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewijd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewijd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewijd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewijd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewijd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewijd | verleden tijd, deelwoord |
| gewijd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewijd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewijd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewijd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewijd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewijd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewijd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewijd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewijd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewijd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wijd | gebiedende wijs |
| wijdde | verleden tijd |
| wijde | aanvoegende wijs |
| wijdend | onvoltooid, deelwoord |
| word gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gewijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gewijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zegenen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van wijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wijdde | verleden tijd | wijden |
| wijdden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wijden |
| wijdend | onvoltooid deelwoord | wijden |
| wijdende | woordvorm | wijden |
| wijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijden zijn vastgelegd.