zede
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een van de verzameling gebruiken en normen die een bepaalde groep mensen als juist en wenselijk aanvaardt, vaak op seksueel gebied
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeden | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gewoonte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van zede
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeden | meervoud | zede |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zede zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- zedelijk
- zedeloos
- zedenbederf
- zedenbedervend
- zedenbederver
- zedendelict
- zedendelinquent
- zedenkomedie
- zedenkunde
- zedenkwetsend
- zedenleer
- zedenles
- zedenmeester
- zedenmisdrijf
- zedenpolitie
- zedenprediker
- zedenpreek
- zedenpreker
- zedenroman
- zedenschandaal
- zedenschets
- zedenschildering
- zedenspreuk
- zedenverwildering