zedenpreek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vermanende toespraak -al dan niet van de kansel- over welk gedrag ten aanzien van met name de seksualiteit onaanvaardbaar is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zedenpreekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zedenpreekjes | verkleinwoord, meervoud |
| zedenpreken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zede en preek met het invoegsel -n-
Woordfamilie van zedenpreek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zedenpreekje | verkleinwoord | zedenpreek |
| zedenpreekjes | verkleinwoord meervoud | zedenpreek |
| zedenpreken | meervoud | zedenpreek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zedenpreek zijn vastgelegd.