zedenspreuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- spreuk die een vermaning bevat en wijst op de gewenstheid van goede zeden.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zedenspreuken | meervoud |
| zedenspreukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zedenspreukjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zede en spreuk met het invoegsel -n-
Woordfamilie van zedenspreuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zedenspreuken | meervoud | zedenspreuk |
| zedenspreukje | verkleinwoord | zedenspreuk |
| zedenspreukjes | verkleinwoord meervoud | zedenspreuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zedenspreuk zijn vastgelegd.